Het VRT

‘Zij ruiken, wij duiken’

BREEZANDDIJK - Sergeant-duikmeester J. van de Nieuwendijk beschrijft kort maar krachtig de samenwerkingsoefening tussen de salvage-duikers in opleiding van de Duik- en Demonteergroep van de marine en het Veterinair Reddingshondenteam (VRT): ‘Zij ruiken, wij duiken’. Een bijzondere samenwerking die uit de praktijk is voortgekomen.

TEKST: KAREN GELIJNS

FOTO’S: OLAF COLIJN (AVDKM)

“Een aantal maanden geleden werd de hulp van onze duikers ingeroepen door het Veterinair Reddingshondenteam om te helpen bij een vermissing op het Wieringermeer. Indirect is dat de aanleiding geweest tot deze oefening’, legt kapitein- ter-zee H. Scheerens, commandant Mijnendienst en tevens hoofd Duik- en Demonteergroep, uit. Bij die specifieke operatie moest er veel afgestemd worden, alvorens de duikers en honden samen ‘te water’ konden gaan. Het hoofd Duikopleidingen, ltz 2 ing. J. Bakker, was zich bewust van het belang van een goede samenwerking en besloot het initiatief te nemen om een oefening met het hondenteam op touw te zetten. De perfecte groep duikers om te laten oefenen, waren in zijn ogen de salvage- duikers in opleiding. Salvage staat voor het zware duikwerk onder water en is het laatste onderdeel van de opleiding om ‘duiker algemeen’ te worden. Na overleg met Esther van Neerbos, coördinator van het VRT, werd besloten om gedurende twee dagen, op 6 en 7 juni, het opsporen van drenkelingen in de haven van Breezanddijk te beoefenen.

 

SPEURNEUZEN

De reddingshonden van het VRT zijn getraind om vermiste mensen (levend of overleden) in gebouwen, bos, open vlaktes of water op te sporen. De viervoeters zoeken op ‘verwaaiing’ van menselijke lucht, zoals vetstoffen, huidschilfers, gassen en zweet. Daarom was tijdens de oefening in Breezanddijk de pop die als drenkeling fungeerde, bedekt met geurstoffen en lijkkleding. Nadat het ‘lichaam’ op de bodem van de haven lag, ging de oefening van start. Het zoekproces naar een vermiste onder water kan globaal in drie fases worden opgedeeld. Eerst gaat een rubberbootje met hond (grove ruiker) het water op. Ze beginnen benedenwinds, waar de hond al direct aanslaat. Al zigzaggend gaat het bootje het water over, totdat de hond stopt met blaffen. “Op dat moment weet je dat je bovenwinds het lichaam bent en ga je terug”, legt Van Neerbos uit. Wanneer het bootje teruggaat wordt gelet op de zogenaamde ‘piek van verwijzing’, ofwel het moment dat de hond het hardst blaft. Dat punt wordt met GPS vastgelegd, waarna een tweede hond het water op komt. Deze tweede hond heeft een fijnere neus en kan specifieker een ‘piek van verwijzing’ geven. Nadat dit punt is bepaald, wordt een boei gelegd en is de beurt aan de duikers. “Voordat de duikers echt het water in gaan, kijken wij altijd eerst nog met de ‘fish finder’, een onderwaterradar die een bodemplaatje geeft”, aldus Van Neerbos. De duikers hebben diverse methodes om het aangegeven gebied af te zoeken. De eerste methode is de cirkelmethode. “Onder de boei wordt een steen met een touw te water gelaten, aan dat touw cirkel je om het middelpunt heen”, legt duikmeester Van Nieuwendijk uit. “Dit is de snelste methode.” Wordt het object met deze methode niet gevonden, dan gaan de duikers over naar de jackstay-methode. Daarbij wordt op de bodem een lijn gelegd, tussen twee of vier punten, waartussen de duikers het gebied centimeter bij centimeter afzoeken. “Die methode is langzamer, maar levert wel altijd honderd procent resultaat.” En resultaat kregen de duikers in Breezanddijk zeker. De eerste keer dat naar het ‘lichaam’ werd gedoken, lag dit slechts op vijf meter van de boei.

 

 

SCEPTISCH

”De honden worden vaak onderschat. Mensen geloven niet dat de honden daadwerkelijk een lichaam onder water kunnen opsporen”, vertelt de hondentrainster. “Voor ons is het belangrijk om erkenning te krijgen.” Dit wordt door zowel Van de Nieuwendijk als collega-instructeur R. van Sinttruyen, bevestigd. “Veel duikers staan sceptisch tegenover het gebruik van honden, daarom is deze oefening zo belangrijk. Ze zien nu in de praktijk dat de honden daadwerkelijk een grote bijdrage leveren aan de zoektocht naar vermisten te water.” Door de inzet van honden wordt het zoekgebied voor de duikers aanzienlijk verkleind. In plaats van een heel meer, hoeven er nu slechts enkele vierkante meters te worden afgezocht. Toch is het weghalen van scepsis niet het enige doel van de oefening. “We willen een draaiboek maken voor de toekomst”, legt Van de Nieuwendijk uit. “Daarom moeten we leren hoe het hondenteam werkt, welke materialen wij nodig hebben voor de samenwerking en welke zoekmethodes het beste zijn.” Uiteindelijk doel is natuurlijk dat beide specialistische teams in de toekomst snel en feilloos kunnen samenwerken, zonder dat er uren van overleg aan vooraf gaan.

Volgens salvage-duiker in opleiding, matroos 1 M. Hilberts is de oefening dan ook geslaagd. “Wij hebben geleerd hoe het hondenteam te werk gaat en gezien dat het ook daadwerkelijk lukt. Dadelijk in de praktijk is dat een groot voordeel.

Dit artikel is met toestemming overgenomen uit het Defensie-krant 14 juni 2001